Breng vrijblijvend een bod uit op antiek vanaf €500
Dit onderzoek betreft een monumentale gepolychromeerde en vergulde houten bodhisattva van circa 148 cm hoog. Het beeld onderscheidt zich door zijn uitzonderlijke schaal, mannelijke verschijningsvorm, grote lotus in de hand, hoge hoofdtooi, sobere sieradenset, laag dubbel lotusvoetstuk en zwaar verweerde maar nog goed leesbare historische polychromie.
De iconografische identificatie als Padmapāṇi, de lotusdragende vorm van Avalokiteśvara, staat in dit onderzoek centraal. De regionale herkomst is minder vanzelfsprekend. Daarom zijn China, Nepal, Sri Lanka, Thailand, Myanmar en verschillende grensstijlen afzonderlijk vergeleken. De huidige kunsthistorische werkattributie wijst het sterkst naar de Shan-regio van Myanmar, in de culturele grenssfeer met Noord-Thailand. De voorlopige datering ligt in de 18e eeuw, circa 1725–1800.

De figuur is monumentaal maar voor zijn formaat opvallend slank. De torso is langgerekt, de armen zijn niet zwaar gespierd en de totale compositie vernauwt zich van het brede lotusvoetstuk naar het hoofd. Ondanks de kroon is de figuur niet rijk behangen met prinselijke sieraden. Juist de combinatie van monumentale schaal en sobere lichaamsbehandeling geeft hem een sterke, gesloten uitstraling.

Het gezicht is mannelijk en krachtig gemodelleerd, met een lange prominente neus, volle lippen, langgerekte oorlellen en ogen die vrijwel gesloten of zeer sterk neergeslagen lijken. De gelaatstrekken wijken duidelijk af van het zachtere, rondere type dat bij veel latere Chinese Guanyin-voorstellingen wordt aangetroffen.

Het belangrijkste attribuut is de grote lotus die de figuur in de hand houdt. Deze lotus is geen klein aanvullend symbool, maar vormt een centraal onderdeel van de compositie. Padmapāṇi betekent letterlijk “de lotusdrager” en is een klassieke vorm van Avalokiteśvara, de bodhisattva van mededogen. In Myanmar is Avalokiteśvara eveneens bekend als Lokanātha.
De tweede hand is niet in een uitgesproken ritueel mudra geplaatst maar rust laag langs het been. Die combinatie van lotusdrager en ontspannen tweede hand komt in regionale Lokanātha-tradities voor en versterkt de identificatie als Avalokiteśvara/Padmapāṇi.
Een belangrijk punt tijdens het onderzoek was het ontbreken van een duidelijk klein beeld van Amitābha in de kroon. Dat sluit Padmapāṇi echter niet uit. Historische Padmapāṇi-voorstellingen bestaan aantoonbaar zowel met als zonder een zichtbaar Amitābha-beeld in de kroon.
Op het onderzochte beeld bevindt zich centraal in de diadeem een oorspronkelijke geometrische juweelvorm. Er zijn geen duidelijke aanwijzingen dat op deze positie ooit een klein Boeddhabeeld heeft gezeten en later is afgebroken. Het ontbreken van Amitābha wordt daarom niet als tegenargument tegen de Padmapāṇi-identificatie gebruikt.
Ondanks de vorstelijke hoofdtooi is de sieradenset opvallend terughoudend. Er is een halsketting en er zijn polssieraden, maar zware borstjuwelen ontbreken. Ook duidelijke grote bovenarmbanden of bāhubandha, die bij veel Nepalese, Tibetaanse en Chinese bodhisattva’s prominent voorkomen, zijn niet aanwezig.
Dit maakt het beeld minder passend bij het rijk versierde Himalayaanse prinselijke type. De figuur combineert een hoge kroon met een bijna ascetische lichaamsbehandeling.
Het gewaad is relatief eenvoudig van opbouw. De sculpturale rijkdom ontstaat vooral door een dicht systeem van smalle parallelle ribbels. Over grote delen van de mantel zijn tientallen regelmatige, diep ingesneden plooien aangebracht die de draaiing van schouder, rug en heup volgen.

Deze sterk geformaliseerde parallelle ribbelplooien waren een belangrijke reden om Chinese boeddhistische houtsculptuur uitvoerig te onderzoeken. Vergelijkbare systematische ribbelbehandeling is onder meer goed gedocumenteerd in late Ming-sculptuur. De techniek alleen bleek echter niet voldoende om China als herkomst te dragen, omdat gezicht, lichaamsbouw, hoofdtooi en iconografie bij het onderzochte beeld consequent anders blijven.
Op beschadigde en verweerde zones is een complexe historische oppervlaktebehandeling zichtbaar. Op veel plaatsen ligt direct op het hout een lichte tot witte preparatiegrond. Daarboven zijn rode en groene kleurzones aanwezig, met goudresten op verschillende oppervlakken. Het haar vormt een afzonderlijk zeer donker kleurgebied en lijkt eerder donkerblauw tot blauwzwart dan puur zwart.
De voorlopige visuele laagopbouw kan voorzichtig worden samengevat als: hout → witte preparatiegrond → rode en/of groene polychromie → gouddecoratie/vergulding. Dit is een werkobservatie; een exacte stratigrafie vereist microscopisch materiaalonderzoek.
De figuur zit op een opvallend laag en breed dubbel lotusvoetstuk. De lotus bestaat uit twee duidelijke zones, waarbij de bovenste rij compact blijft en daaronder grotere neerwaarts gerichte lotusbladeren zijn uitgesneden. In verhouding tot het bijna anderhalve meter hoge beeld is de troon uitzonderlijk laag.

Een dubbele lotus komt in veel boeddhistische kunsttradities voor en is daarom geen zelfstandig landspecifiek kenmerk. De lage, brede uitvoering is echter wel relevant wanneer zij wordt gecombineerd met de slanke figuur, het geribbelde gewaad, de hoofdtooi en de mannelijke Padmapāṇi-iconografie.
Een van de meest onderscheidende onderdelen is de enorme afgeronde haarmassa aan de achterzijde van het hoofd. Deze is opgebouwd uit rijen grote spiraalvormige krullen en vormt visueel bijna een architectonische koepel. De krullen zijn veel groter en zwaarder dan de kleine regelmatige haarcurls van een standaard Boeddhabeeld.

Aan de voorzijde bevindt zich een eenvoudige rood-goud beschilderde diadeem met centraal een ruitvormig juweelmotief. Daarboven staat nog een afzonderlijke hoge bekroning. Deze vorm is geen conventionele Thaise vlam en ook geen typische Chinese Guanyin-kroon. De combinatie van grote haarmassa, eenvoudige diadeem en hoge eindbekroning is een van de sterkste regionale stijlkenmerken van het object.
China was technisch lange tijd een sterke kandidaat. Monumentale houten bodhisattva’s van vergelijkbare schaal zijn daar goed gedocumenteerd. Ook gesso, pigmenten, rood, groen, donkere haarpartijen en bladgoud komen veelvuldig voor. Vooral de dicht geribbelde draperie kent overtuigende Chinese parallellen.
Toch ontstond bij volledige vergelijking steeds hetzelfde probleem: zelfs Chinese beelden uit Shanxi, Song-Jin, Yuan en Yunnan behouden doorgaans een herkenbare Chinese modellering van gezicht, kroon en lichaam. Het onderzochte beeld heeft juist een lang, krachtig gezicht, volle mond, sterke neus, grote achterste haarmassa en een veel soberder mannelijke uitstraling. China verklaart een deel van de techniek, maar niet het totaalbeeld.
Nepal is iconografisch belangrijk omdat Padmapāṇi daar eeuwenlang een centrale plaats inneemt. Ook grote houten Lokeshvara-beelden zijn aantoonbaar, zodat het formaat op zichzelf Nepal niet uitsluit.
De verschillen zijn echter aanzienlijk. Veel Nepalese Padmapāṇi’s zijn verfijnder gemodelleerd, slanker in de prinselijke zin en rijker voorzien van kroonjuwelen, borstkettingen en bovenarmbanden. De zware haarmassa, sobere sieradenset en eenvoudige geribbelde kleding van dit beeld sluiten daar minder overtuigend op aan.
Sri Lanka werd serieus onderzocht vanwege de sterke traditie van Avalokiteśvara/Nātha. Sri Lankaanse bodhisattva’s kunnen lange neuzen, smalle gezichten en krachtige mannelijke gelaatstrekken tonen. Ook monumentale houten Nātha-beelden zijn historisch gedocumenteerd.
Een overtuigende totaalparallel voor de specifieke combinatie van grote spiraalhaarmassa, lage dubbele lotus, geribbelde mantel en hoge hoofdtooi werd echter niet gevonden. Daarom blijft Sri Lanka een relevante vergelijking, maar niet de sterkste huidige werkattributie.
Vooral uit zuidelijk en noordoostelijk Thailand zijn vroege mannelijke Avalokiteśvara-beelden bekend met een sobere lichaamsbehandeling, weinig sieraden, neergeslagen ogen en hoge haarmassa. Sommige voorbeelden zijn bijna ascetisch uitgevoerd en sluiten daardoor goed aan bij de terughoudende sieradenset van het onderzochte beeld.
Het grootste probleem is de chronologie en het materiaal: de belangrijkste vergelijkingsstukken zijn veel ouder en meestal uitgevoerd in steen of brons. Voor een monumentale gepolychromeerde houten tempelsculptuur uit de 18e eeuw is een noordelijk Tai-Shan grensmilieu waarschijnlijker dan directe voortzetting van die vroege voorbeelden.
De Myanmar-lijn werd steeds sterker nadat de lokale traditie van Lokanātha nader werd onderzocht. Lokanātha is een Birmese vorm van Avalokiteśvara en komt voor als gekroonde bodhisattva met lotus als hoofdattribuut. Museumvoorbeelden tonen bovendien configuraties waarbij één hand de lotus draagt en de andere hand lager op het been rust.
Monumentale houten religieuze sculptuur past goed binnen Myanmar. Grote tempelbeelden in hout, voorzien van grondlagen, lak, pigment en vergulding, zijn goed gedocumenteerd.
De Shan-staten vormen historisch een overgangsgebied tussen Myanmar en Noord-Thailand. Kunst uit deze regio kan Birmese en noord-Thaise kenmerken combineren zonder volledig in één hofstijl op te gaan. Juist dat grenskarakter biedt een plausibele verklaring voor een beeld dat technisch en iconografisch duidelijk in de Birmese/Zuidoost-Aziatische wereld thuishoort, maar visueel niet overtuigend Mandalay, Lanna, Nepal of China is.
De huidige werkattributie luidt daarom: Padmapāṇi/Lokanātha, Shan-regio, Myanmar – grenssfeer met Noord-Thailand.
De voorlopige datering ligt in de 18e eeuw, waarschijnlijk circa 1725–1800. Dit tijdvak past bij monumentale houten tempelsculptuur, historische polychromie en vergulding, de regionale Lokanātha-traditie en de stilistische overgang tussen oudere en latere Birmese/Tai-vormen.
Een exacte datering kan niet uitsluitend op fotografie en stijl worden bewezen. Materiaaltechnisch onderzoek kan deze bandbreedte verder verfijnen.
De achterzijde toont een grote doorlopende houtmassa zonder duidelijk groot consecratieluik. Aan de onderzijde zijn oude droogtescheuren, houtverlies, insectengangen en sterk verweerde zones zichtbaar. Mogelijke oude verbindingen of reparaties moeten afzonderlijk worden onderzocht.

Een eerder waargenomen klein ingebed element reageerde niet op een magneet. Daarom kan zonder materiaalanalyse niet worden gesteld dat dit een ijzeren pin is. Ook het uiterlijk van recent blootgelegd hout kan niet rechtstreeks worden gebruikt om de ouderdom van de gehele sculptuur te bepalen.

De sculptuur wordt iconografisch geïdentificeerd als een monumentale mannelijke Padmapāṇi / Lokanātha, een vorm van Avalokiteśvara. De combinatie van de grote lotus, sobere sieradenset, krachtige mannelijke fysionomie, vrijwel gesloten ogen, slanke lichaamsbouw, hoge haar- en kroonconstructie, laag dubbel lotusvoetstuk, geribbelde draperie en historische rood-groen-gouden polychromie maakt het beeld uitzonderlijk.
Na vergelijking met Nepalese, Chinese, Sri Lankaanse, Thaise en Birmese sculptuur vormt momenteel de Shan-regio van Myanmar, in de culturele grenssfeer met Noord-Thailand, de meest samenhangende kunsthistorische werkattributie. De huidige werkdatering is 18e eeuw, circa 1725–1800.
De regionale en chronologische toeschrijving blijft bewust als werkattributie geformuleerd totdat materiaaltechnisch onderzoek of een nauw gedocumenteerde museumparallel een nog preciezere herkomst mogelijk maakt.
Foto’s vertellen maar de helft van het verhaal. Volg 1stbuddha op TikTok voor een unieke kijk achter de schermen. Van de geur van antiek kamferhout tot de verborgen details van eeuwenoude polychromie; wij brengen de historie tot leven. Ontdek de symboliek, de herkomst en het vakmanschap van onze collectie in bewegend beeld.